| |||||||||||||||||
|
De oorsprong van het dorp Retie gaat zeer ver terug.
Hoe ver is niet geweten. In de geschreven bronnen komt de naam Retie voor het eerst voor in de twaalfde eeuw. Het dorp maakte deel uit van de bezittingen van het adellijke huis van Grimbergen, later de Berthouts, lange tijd een van de machtigste families van het hertogdom Brabant in de middeleeuwen. Als eigendom van de Berthouts, behoorde Retie tot het Land van Geel. In 1332 kreeg Geeraard van Duffel Retie toegewezen en het dorp werd een onafhankelijke heerlijkheid met een eigen bestuur en schepenzegel. Jan van Landewijk, de laatste dorpsheer uit het geslacht der Berthouts, verkocht Retie (samen met Kasterlee en Lichtaart) in 1370 aan Gerard van Rotselaar. Kerkelijk hoorde Retie oorspronkelijk bij het bisdom Luik. De vroegste vermelding van een pastoor te Retie, een zekere Petrus, dateert van 1236. De parochie hoorde toe aan het Sint-Maartenskapittel te Luik. Op 18 november 1264 schonken de deken Willem en het kapittel van Sint-Maarten, bij wijze van erfpacht, hun goederen en rechten op de tienden van Retie, inbegrepen het begevingsrecht van de kerk (het recht om de pastoor aan te duiden), aan de abdij van Tongerlo, die daarvoor jaarlijks 19 pond Leuvensch - een behoorlijk bedrag -moest betalen. Retie was trouwens geen onbekend gebied voor de norbertijnen van Tongerlo. Reeds sinds 1164 bezaten zij goederen te Schoonbroek en in 1186 werd de hoeve van Werbeek al vermeld onder de bezittingen van de abdij. Tot het einde van de achttiende eeuw zou de parochie voortaan 'bediend' worden door witheren van de abdij van Tongerlo. Retie was overigens geen uitzonderlijk geval in dat opzicht.
De pastorie van Retie werd opgetrokken in de zogenaamde traditionele landelijke stijl, die kenmerkend was voor dergelijke door kloosters opgerichte pastoriegebouwen. Het werd een compact, zeven traveeën (gevelvlakken) breed gebouw met centrale ingang, volledig onderkelderd en met twee bouwlagen onder een schilddak (dak dat uit vier schuine vlakken bestaat), waarin aan de voorzijde een dakkapel de middelste travee beklemtoonde. De gevels werden volledig in baksteen opgetrokken, met uiterst spaarzaam gebruik van witte natuursteen, zoals voor de doken der luiken. Zeer waarschijnlijk was het parament (gemetselde blokjes natuursteen in vlakke gevelpartijen) aanvankelijk helemaal met een dunne laag bepleistering bedekt en volledig beschilderd. De binnenstructuur bestond uit de gebruikelijke eiken roosteringen (constructies van balken die dienen om een vloer te dragen) en een kapspant (dakstoel, kapgebint). Wat de oorspronkelijke indeling en interieurafwerking betreft is weinig bekend, tenzij dat op de verdieping de balken afgepleisterd waren door brandwerende troggewelfjes of segmentgewelfjes (boog tussen twee liggende balken). Aan weerskanten van het bestaande gebouw werd vermoedelijk in de late achttiende eeuw een bijgebouw toegevoegd dat moest dienen als stalling, koetshuis en opslagplaats. Wellicht vervingen deze zijvleugels een reeds eerder bestaande, lagere constructie. Zeer waarschijnlijk is deze fase van verbouwing ook samengegaan met een aanpassing of verfraaiing van het interieur, waarvan momenteel nog elementen het gebouw sieren. De beide bijgebouwen waren duidelijk niet als volledig symmetrische vleugels opgevat. De rechtervleugel lijkt van bij het begin af aan de voorzijde te zijn voorzien geweest van een rondboogdeur en een raam, en midden in de gevel een lage, bovenaan gebogen poort; in de kopse muur was er slechts één raam op de zolderverdieping; aan de tuinzijde waren een deur met een raampje erboven, en verderop een kleinere deur en een hoog raam, dat later werd gedicht. De linkervleugel vertoonde oorspronkelijk twee ramen, middenin een zelfde, bovenaan gebogen poortopening, en daarnaast nog een lage poort met raampje erboven; de kopse zijde van het gebouw had, zoals de andere vleugel, enkel een raam op de zolderverdieping; aan de tuinzijde lijkt enkel één raam en middenin één klein deurtje te zijn geweest.
De geestelijken vonden het geraadzaam de pastorie te verlaten en bij families in het dorp een schuilplaats te zoeken, waar zij dan klandestiene missen opdroegen. Op 13 en 14 november hielpen de parochianen hun pastoor en onderpastoor verhuizen. Op 6 december 1797 werd het bevel gegeven een inventaris op te maken van alle voorwerpen die in de kerken, kapellen en pastorieën zouden worden aangetroffen. De Fransman Thierrot, de daartoe aangestelde bijzondere commissaris in het kanton Arendonk, noteerde in zijn verslag vrij nauwkeurig wat in de kerk, Sint-Pieterskapel en pastorie was gevonden. Zo blijkt dat op de pastorie geen enkel meubel was achtergebleven... De pastorie werd door Thierrot als volgt beschreven (vertaling Edward Sneyers):
'
Een tamelijk verheven gebouw, met schaliën bedekt, bestaande op het gelijkvloers uit een wachtkamer of salon, drie kamers met haard, waarvan twee met gekleurd papier behangen, en een kabinet (kamertje). Een keuken met vuurhaarden, pomp, gootsteen, en een ingemaakte kast met ruiten. Bezijden een klein kabinet, verder vier kelders. Op het verdiep: drie kamers met vuurhaarden, drie kabinetten, een zolder, over het hele verdiep, met daarop een duiventil. Al deze kamers, behalve drie, hebben deuren met slot of klink. Gelijklopend met het hoofdgebouw en daaraan vastgebouwd, zijn er nog twee andere kleine gebouwen, met pannen bedekt; het een dient tot bergplaats en tot houthuis, het andere tot stalling en tevens tot bergplaats; een der grote deuren is een dubbele. Een tuin van ongeveer twee morgen lands groot, omgeven door zeer brede grachten '. (N.v.d.r. 'Morgen': oude landmaat waarvan de grootte in verschillende streken zeer uiteenliep, eigenlijk zoveel land als men op één ochtend kon ploegen.) In de late achttiende eeuw waren de wanden van de voornaamste kamers naar de smaak van die tijd voorzien van een raamwerk met jute bespanning waarop bedrukt en ingekleurd papierbehang was gekleefd. Nagenoeg alle zit- en slaapkamers konden worden verwarmd. Er was duidelijk woongelegenheid ingericht voor meerdere vicepastors (hulppastoors). Na de Franse inval diende het pastoriegebouw enige tijd als gendarmerie. Op 23 april 1798 werd het door de Republiek aangeslagen om te worden gebruikt als opbrengsteigendom. Het werd vanaf 8 mei daarop verhuurd aan 'citoyen' Oris, de smid van Retie, voor de prijs van 25 zilverlingen. Waarschijnlijk deden de bijgebouwen in die periode dienst als werkplaats. In februari 1799 werd de pastorie van Retie publiek geveild te Antwerpen. Voor de som van 455.000 (gedevalueerde) Franse francs werd ze gekocht door een zekere Vangrimbergen, die optrad als stroman voor Pi. Van den Eynde, naast notaris en landbouwer ook de 'maire' van Retie. (Deze Peter Jan Baptist Van den Eynde was in 1772, onder het Oostenrijks bewind, uit Berlaar naar Retie gekomen als secretaris-notaris. Onder de Franse republiek was hij 'municipaal agent', later 'maire'; en onder het Hollandse regime zou hij de eerste burgemeester van Retie worden.) 'Maire' Van den Eynde liet het het eigendom in 1808 over aan de gemeente Retie, die daarvoor de som van 4.000 frank betaalde, het bedrag dat Van den Eynde had uitgegeven voor herstellingswerken (wellicht vooral aan de dakbewerking) die hij aan het gebouw had laten uitvoeren. De orkaan die op 18 Brumaire van het jaar 9 (9 november 1800) de streek had geteisterd, 'een ongehoort tempeest van windt', had blijkbaar ook aan de pastorie ernstige schade aangericht. De gemeente schatte het gebouw 'en aanhorigheden' op 10.700 frank. Met het eind van de Franse overheersing in 1814 konden de pastoors opnieuw hun huis betrekken. Door de opheffing van de kloosters onder het Franse bewind was echter ook aan de prelaat van Tongerlo het begevingsrecht van zijn parochies ontnomen. De laatste zogenoemde 'witte' pastoor van de Sint-Martinusparochie te Retie, frater Andreas Peeters, overleed er op 30 november 1819 in de ouderdom van 76 jaar. Op 2 december werd hij opgevolgd door de eerste 'zwarte' of seculiere pastoor in Retie, Jan Baptist Verbist van Zoerle. Op het vroegste kadasterplan, gedateerd 15 september 1822, staan de pastorie met haar bijgebouwen en de omwaterde tuin weergegeven. Aan het volume en de loop van de omgrachting blijkt tussen 1822 en nu niets te zijn gewijzigd. Fotografische opnamen van omstreeks de eeuwwisseling tonen de pastorie van Retie als een volledig bepleisterd en witgeschilderd blok, waar de beide bakstenen zijvleugels als tegenaan zijn gebouwd. Aan de voorzijde is in elk geval de linkervleugel tot op twee derde van de gevelhoogte eveneens witgekalkt. De gelijkvloerse ramen zijn overal voorzien van luiken in vier panelen, geschilderd in een lichte kleur aan de voorkant, in een donkere tint aan de tuinzijde. De toegangsdeur in de achtergevel en het raam erboven hebben dezelfde breedte als alle andere ramen. Het bovenlicht is voorzien van een roedeverdeling in geometrisch motief. Boven het raam boven in de linkerzijgevel bevond zich een kleine dakkapel. Bouwsporen tonen duidelijk aan dat de raamopeningen in zij- en tuingevels deels werden gedicht (zoals ook meerdere in de rechterzijgevel), deels werden verlaagd, zoals te zien is bij het ene opengebleven raam in de rechterzijgevel en bij alle ramen van de bovenverdieping in de tuingevel. Wanneer deze verbouwing heeft plaatsgehad, is echter nog niet achterhaald. In het begin van de twintigste eeuw onderging het gebouw enkele ingrepen die het oorspronkelijke karakter ervan sterk wijzigden. In de achtergevel werd de middentravee geheel verbouwd. De deuropening werd versmald en werd lichtjes rechts van het midden geplaatst, terwijl links een smal raam werd aangebracht. Een andere deurvleugel en eenvoudig bovenlicht kwamen in de plaats; de brede trap werd eveneens versmald. Het raam erboven werd gedicht en vervangen door twee smalle ramen. Overal werden de blinden vervangen door rolluikkasten. De voorgevel werd naar de mode van de tijd geheel behandeld met een sierpleister in een classicerende stijl. Het is een cementbezetting van uitvoerig lijstwerk en bekroningen rondom de ramen, doorlopende lekdrempels, kroonlijsten, allerlei ornamenten en imitatievoegen. Ook de dakkapel werd daarin opgenomen. De imitatievoegen lopen over de zijgevels verder, althans voor zover het perspectief reikt. In deze fase verdwenen de blinden. Op 1 oktober 1984 verliet de laatste geestelijke heer, pastoor Frans Geuens (1968-1991), de eeuwenoude monumentale pastorie om zijn intrek te nemen in een nederige woonst in de schaduw van de St.-Martinuskerk. Kort daarna werd de voormalige pastorie ingenomen door het politiekorps van de gemeente Retie. De enige band die het gebouw nog heeft met zijn vroegere bestemming, is een koppel kerkuilen, die, onder de hoge bescherming van de politiecommissaris, een veilige thuis gevonden hebben in de gerenoveerde 'duiventil' in het oostelijk zijgebouw. De gemeente Retie diende reeds in 1978 een beschermingsvoorstel in voor de oude pastorie. Pas bij besluit van 16 januari 1987 werden de pastorie en de omgeving van toegangsdreef, omgrachting en tuin wegens hun historische waarde respectievelijk als monument en dorpsgezicht beschermd. Louis Luyten
Bronnen: Gegevens omtrent de oprichting en de bouwevolutie van de pastorie van Retie kunnen worden gevonden in:
- Gemeentearchief Retie
- Parochiearchief van de St.-Martinuskerk, Retie - Archief van de Abdij van Tongerlo - Rijksarchief Brussel - Kadaster Archief Antwerpen - Verzameling Theo Breugelmans, Arendonk - Archief Bestuur Monumenten en Landschappen, Antwerpen - Fototheek Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Brussel - Opmetingsplannen architect R. Verspreeuwen, Geel - C.B. De Ridder, Het Dorp Rethy. In: Historische Mengelingen over de Kempen, Turnhout, 1860. - E. Sneyers, Uit de geschiedenis van het dorp en de heerlijkheid Retie. Retie in den Franschen tijd, Retie, 1938. - E. Sneyers, Bijdrage tot de Geschiedenis van Retie, Retie, 1949 en 1972. - A. Mathé, De Lieve Heimat, Retie, 1950 - W. Van Spilbeeck, De abdij van Tongerloo. Geschiedkundige navorschingen, Tongerlo, 1888. Deze bijdrage is hoofdzakelijk gebasseerd op de 'historische nota omtrent de bouwevolutie van de voormalige pastorie van Retie', samengesteld voor het restauratiedossier door kunsthistorica Petra Maclot (september 1993). | |||||||||||||||||