Ik deed mijn legerdienst in Noord-Ierland en Duitsland

Jos Dijckmans vertelt...

Jos Dijckmans (°1921) was een van de zes miliciens uit Retie die, als allereersten na de oorlog werden opgeroepen en naar Noord-Ierland gestuurd voor hun opleiding.
Nadien deden ze nog vier maanden militaire dienst bij het Belgische bezettingsleger in West-Duitsland.

Jos werd geboren in de Burcht, net als zijn broer Vic en zijn zuster Adrienne.
Zijn vader, Louis Dijckmans (°1883), en zijn moeder, Mieke Smets (°1883), boerden daar tot in 1927.
Ze huurden de boerderij van de familie Janssens.
Nadien trokken zijn ouders naar de boerderij Den Akker op het Meierend.
Daar werden zijn broers Karel en Louis geboren.
Dicht bij die boerderij was de herberg 'De Klamper van' ‘Janneke Poppelee’ aan de Hoge Weg, nu de Beukenlaan.
Na het overlijden van zijn moeder in 1929 vestigde zijn vader zich voorgoed als boer op de boerderij van de ‘zes tantjes’ op het Meierend.
Vanuit die boerderij vertrok Jos in juni 1945, een maand na het einde van de Tweede Wereldoorlog, naar het verre Noord-Ierland.
Een ongewoon en boeiend verhaal...

Begin 1940 zijn er enkele jongemannen van mijn geboortejaar in Retie opgeroepen om soldaat te worden, maar ikzelf was daar toen nog niet bij.
Ik was pas vijf jaar later aan de beurt en wel direct na de Tweede Wereldoorlog.
Samen met mij werden nog vijf andere Retienaren in 1945 ‘binnengeroepen’: Ward Smets, de timmerman, en Mètten Van Gestel, een werkman van de Kerkhofstraat.
Die twee zijn onmiddellijk naar Ierland gegaan, maar ‘hoe of wat’ weet ik niet.
Op 14 juni 1945 zijn die gevolgd door Karel Spooren van de Brand, afkomstig van Postel, die later een café had op de Roskam op het Rauw in Mol, en door Juul Van Herck, die thuis op de boerderij in Obroek werkte.
Na de oorlog was hij chauffeur van beroep, omdat hij ook in het leger met een camion had gereden.
En ook Jan Mariën van de Geelsebaan, die later op het Bosend woonde, en ikzelf.
Wij werden opgeroepen voor Alsemberg, maar we werden opgevangen in Sint-Genesius-Rode.
We sliepen bij mensen die vlak bij het station woonden.
We zijn zogezegd een paar dagen bij het leger geweest ‘in burger’, dan zijn we nog een paar dagen in verlof naar huis mogen komen en dan ‘in burger’ naar Ierland vertrokken.
Waarom juist naar Ierland, dat weet ik ook niet.
De oorlog met Japan was toen nog niet gedaan en dat is misschien een mogelijke uitleg.
Van de andere kant gingen wij zogezegd naar Ierland als ‘troepen op rust’, maar we hadden nog niets gedaan!
Meer weet ik daarover niet te vertellen.


Jos Dijckmans vertelt zijn belevenissen als soldaat van zo lang geleden.

We zijn vanuit Oostende per boot vertrokken naar Dover en van daaruit per trein richting Noord-Engeland en Zuid-Schotland.
Dat was een lange reis met een eetzak voor een ganse dag.
In Greenock, een plaats bij Glasgow, zijn we in kleine boten overgestoken naar een grote zeeboot met bestemming Belfast in Noord-Ierland.
Dat is nu nog Engels mandaatgebied.
Vanuit Belfast zijn we per camion vervoerd, niet rechtstreeks naar het stadje Lurgan, onze eindbestemming, maar via een halte in een dorpje waar we nog een paar dagen verbleven hebben.
Daar werd onze vaste bestemming toegewezen.
Een anekdote.
We kwamen in het midden van de week in dat dorpje aan.
’t Was volop zomer.
De dorpskerk was oud en vervallen.
We waren nog altijd in burgerkleren met daarover een ‘kapoot’ (capote), een lange soldatenjas, en een muts op ons hoofd.
De zondag daarop vroeg de overste: ‘Wie wil er naar de mis?’
Natuurlijk dat iedereen mee wilde, want op die manier waren ze weg uit het kamp en daarenboven waren de meeste soldaten toch ook wel katholiek.
De pastoor, een oude man, droeg een zwarte soutane die groen uitgeslagen was van ouderdom.
De kerk liep bomvol: vooraan enkele welstellende families uit het dorp – ik veronderstel dat ze welstellend waren, omdat ze met de auto aankwamen – en daarbovenop nog die vele soldaten.
De pastoor deed de mis nog met de rug naar de mensen gekeerd, zoals dat toen bij ons in België ook nog het geval was.
Op een zeker moment gingen ook enkele mensen met de schaal rond.
Wij kenden toen de waarde van het Engelse geld nog niet goed en gaven allemaal – waarschijnlijk uit compassie met die pastoor – een shilling, zowat 25 Belgische frank in de schaal.
Af en toe keek de pastoor eventjes opzij om te zien hoe het met de schaal ging.
Die oude pastoor deed daar een goede zaak!


Een foto uit 1945, genomen in Lurgan (Ierland).
Soldaatmilicien Jos Dijckmans staat op de tweede rij, tweede van links.

Uiteindelijk zijn we voor onze legerdienst terechtgekomen in het stadje Lurgan, bij het meer Lough Neagh in Ulster.
Het meer lag op zowat 5 kilometer van ons kamp.
Het was zo uitgestrekt dat ge de overkant ervan niet kon zien.
In Lurgan werden we voor 4-5 maanden ondergebracht in twee kampen: Woodville en Silverwood, die ongeveer een kilometer uiteenlagen.
Zo’n kamp bestond uit barakken in golfplaten.
In ieder barak verbleef zowat twintig man.
Ik verbleef in kamp Woodville.
Daar waren vier compagnies miliciens ondergebracht plus de stafcompagnie: chauffeurs, bureelbedienden, keukenpersoneel enz.
In Silverwood verbleef een compagnie zware wapens.
Ik kwam terecht in de 2de compagnie, samen met een soldaat uit Oelegem en een uit Hoogstraten, de anderen waren allemaal West-Vlamingen.

Een van de vier compagnies bestond uit Belgische oorlogsvrijwilligers van 1944-1945.
Bij de bevrijding van België moesten die jongens waken over de voedsel- en munitievoorraden die langs de wegen opgeslagen waren.
Ze reden rond in geblindeerde wagens.
Naarmate de geallieerde troepen oprukten, moesten die voedsel- en munitievoorraden volgen voor de bevoorrading.
Hun officieren waren strenger dan die van de andere compagnies.
Die mannen waren samen met ons naar Ierland vertrokken.
In het kamp hadden we als hogere officieren – bijvoorbeeld de luitenanten – Belgische reserveofficieren.
De allerhoogste officieren zullen wel ‘actieven’ geweest zijn.
Als lagere oversten hadden we beroepsmilitairen.
Bij de sergeanten waren er naar mijn mening nogal wat studenten, die hun studies hadden opgegeven om carrière in het leger te maken.
We zijn vijf maanden in Ierland geweest en we hebben daar ook vijf maanden opleiding gehad.
Nu werken ze die af in zes weken.
Onze opleiding was tamelijk zwaar maar menselijk.
De dagindeling zag er ongeveer als volgt uit: opstaan om 7 uur, dan wassen en aankleden en vervolgens eten gaan halen in de keuken met de gamel (brood en ‘porridge’: een soort havermoutpap).
Bij het eerste klaroengeschal moest je zorgen dat ge op het appèl was voor de groet aan de Belgische vlag.
Op het kenteken dat we op de mouw van het legeruniform droegen, was een Iers klaverblad afgedrukt samen met de tekst ‘6de infanteriebrigade’ en de naam ‘Rumbeke’ als verwijzing naar de slag van Rumbeke in het begin van de Tweede Wereldoorlog.
Na het appèl kregen we drill.
Verder deden we diverse soorten van marsen: gewone marsen, snelmarsen, marsen met hindernissen, maar vooral schietoefeningen.
Voor de schietoefeningen werden we per camion naar terreinen vervoerd die ver buiten het kamp lagen.
Het schieten gebeurde altijd met ‘scherp’.
Soms waren er natuurlijk ook wel theorielessen.
’s Middags was er warm eten: soep, patatten met dikwijls schapenvlees, uitzonderlijk vis, en altijd een nagerecht: gebak of pudding.
Gewoon goed eten.
Na de middag waren er weer de dagelijkse oefeningen.
’s Avonds kregen we weer een broodmaaltijd met toespijs.
Alle dagen was er een bepaalde compagnie van piket.
Die stond in voor de wacht: de grote wacht aan de ingang van het kamp en de kleine wacht: patrouilleren binnen het kamp, vooral ’s avonds en ’s nachts.
Van piket zijn houdt ook in het aanhalen van proviand met de camion, het poetsen van de kamers van de officieren en de onderofficieren, hulp in de keuken, zoals het schillen van de aardappelen met de hand.
Bij het leger moet er meer gewerkt worden dan sommige mensen denken.
Voor verveling was er geen plaats.
Men kon ook uitgaan, maar vermits er geen cafés in de omgeving waren, kon men slechts wat gaan drinken in een of andere kleine winkel.
Met Ierse meisjes omgaan gebeurde bitter weinig, denk ik.
De verhouding met de plaatselijke bevolking was vrij goed.
Om onze was te laten doen konden we naar een wasserij gaan, maar dat wassen gebeurde ook bij burgermensen.
De betaling gebeurde wel met contant geld, niet met artikelen in natura zoals dat later in Duitsland gebeurde met o.a. sigaretten.
Er waren soms ook ontspanningsavonden.
Daarvoor zorgden speciaal aangestelde officieren: mannen van de Welfare en de aalmoezenier.
De nationale feestdag op 21 juli werd plechtig gevierd met een Te Deum in de katholieke Sint-Maartenkerk en met na de ‘dienst’ een beperkt defilé.
Die kerk stond in een zijstraat dicht bij het dorpsplein.
Die dag zat de kerk bomvol met Belgische soldaten.
Er was ook een protestantse kerk, die stond op het dorpsplein.


Soldijboekje van Jos Dijckmans in Ierland.

Bij ons afscheid van Lurgan in november 1945 kreeg iedere soldaat een Bijzonder Dagorder (nr. 281) van majoor Jacques, bevelhebber van het 3de bataljon.
Na inleidende woorden van waardering voor de voorbeeldige wijze waarop wij ons hadden gedragen in Lurgan, vermeldde hij een schrijven van de burgemeester van Lurgan: Omdat wij een deel van het dagelijkse leven van Lurgan waren geworden en opdat wij Lurgan nooit zouden vergeten, schonk de stad aan onze eenheid een kistje gevuld met aarde van onze twee kampen, Woodville en Silverwood.
Dat vond ik een enig mooi gebaar.
Spontaan zongen wij als afscheidslied ‘Vaarwel Ierland Vaarwel’!


Jos Dijckmans en kameraden in Werdoll in 1946.

Voor de terugreis naar België in november 1945 zijn we met camions naar Belfast gevoerd.
Daar zijn we wegens de dichte mist met een dag vertraging ingescheept met bestemming Liverpool aan de westkust van Engeland.
In Liverpool reed ik trouwens voor het eerst in een ‘dubbeldekker’.
In de omgeving van Liverpool, in Market Rasen (Lincolnshire), hebben we een maand lang verbleven in een kamp.
Het waarom daarvan weet ik niet.
Blijkbaar was het maar een tussenstop op onze terugreis.
We hadden er weinig activiteiten en er werden in één maand meer straffen uitgedeeld dan op de vier maanden in Lurgan.
Vanuit Liverpool zijn we uiteindelijk weer vertrokken naar Dover voor de overzet naar Oostende.
Bij onze aankomst in België werd onze eenheid gekazerneerd deels in Maaseik en deels in Sint-Truiden.
Dan kregen we tien dagen verlof.
De ene helft van de manschappen was thuis met Kerstmis, de andere met Nieuwjaar.
Na zes maanden afwezigheid van thuis was dat verlof zeer welkom.
Het vloog dan ook voorbij.
Ik belandde in Sint-Truiden, want de legerdienst van één jaar zat er nog niet op.
Intussen was de 6de brigade ontbonden en werden wij ingelijfd bij de 3de brigade.
Na enkele dagen, begin 1946, werden we voor vier maanden overgeplaatst naar bezet Duitsland, naar Werdoll bij Ludenscheid.

Dat was een heel andere ervaring.
Ons werk bestond er vooral in wachtdiensten uit te voeren.
Het dorp was gespaard gebleven van vernieling.
We verbleven er in burgerwoningen die in beslag genomen waren door de bezettingstroepen.
In de vrije tijd gebeurde er heel wat ruilhandel van sigaretten tegen onder meer horloges en eetbestekken.

Een anekdote als herinnering aan het heuvelachtige Werdoll.
Het was er bitterkoud en er lag heel veel sneeuw.
Bij de dooi trad de rivier die door het dorp stroomde buiten haar oevers en liep het water binnen in de huizen langs de oevers.


Jos Dijckmans op wacht in Aachen in 1946.


Jos Dijckmans (links) in het door de oorlog geteisterde Aachen in 1946.


We verbleven ongeveer twee maanden in Werdoll.
Daarna werden we voor ongeveer twee maanden overgeplaatst naar de grote Brandtkazerne in Aken met een afdeling voor de Vlamingen en een afdeling voor de Walen.
De stad Aken was zwaar geteisterd door de geallieerde bombardementen, alleen het oude stadsgedeelte was gespaard gebleven.
In Duitsland zagen we volledig en gedeeltelijk verwoeste steden en dorpen, van wederopbouw was er nog maar weinig te zien.
Bovendien was er heel veel menselijk leed.
Van de weinige mannen die we zagen, waren er nogal wat door de oorlog getekend.
De vrouwen leefden in vertwijfeling en onzekerheid omtrent hun mannen: waren die krijgsgevangen of misschien zelfs gesneuveld?

Wellicht bij gebrek aan een woonst verbleven heel wat burgers in schuilkelders en bunkers.
Ook in Aken was onze voornaamste opdracht wachtposten te bezetten, zowel in de kazerne zelf als in de stad in een gebouw waarin een zwembad was ondergebracht en in een bakkerij, beide in wederopbouw.
Maar ook in de zogenaamde ‘rode kazerne’, waar geen troepen verbleven maar waar wel diensten voor de repatriëring waren gevestigd.
Samen met de Amerikanen deden we ook wacht aan de grens tussen België en bezet Duitsland.
Op het einde van ons verblijf in Aken werd ons de vlag overhandigd van ‘Karabiniers Prins Boudewijn’.
Militair gezien vroeg dat om een officiële plechtigheid, maar het gebeurde gewoon op een willekeurige avond met een kleine groep aanwezige soldaten.

Na Aken was de bezetting van Duitsland voor ons voorbij.
Het was een belevenis.
We hebben de kans gekregen om het allemaal mee te maken.
Anderzijds was de samenvoeging van de derde en de zesde brigade – met hogere officieren die we weinig of niet zagen of konden zien – niet bevorderlijk voor het moreel.
Na het verblijf in Duitsland werd onze compagnie nog een maand gekazerneerd in de vooroorlogse kazerne van de grenswacht in Kaulille.
De anderen verbleven in Maaseik.
Voor mijn laatste veertien dagen kwam ik terecht in Ghlin bij Bergen.
Daar moesten we de wacht optrekken bij Duitse krijgsgevangenen die in de plaatselijke koolmijnen werkten.
Daar zijn we afgezwaaid.

Alles tezamen heb ik één jaar en één dag legerdienst gedaan in Ierland, Engeland, België en Duitsland: binnengegaan op 14 juni 1945 en afgezwaaid op 14 juni 1946.

Opgetekend door Walter Raeymaekers op 29 oktober 2009.